Biography/Statement
(Dutch below)
Photographing
In 1990, my photography began with a self-portrait. I am sitting at the kitchen table in my parents’ house, with the overgrown garden behind me and, beyond that, a vacant lot left behind after the demolition of the pre-war houses. Because of the backlighting, little can be seen of my face. In the silhouette, a boy of about fifteen is visible, posing curiously for his new camera.
I knew for certain that I wanted to photograph, but I did not know exactly what or why. It seemed obvious to focus on my immediate surroundings: my father, with whom I lived; my grandfather, who was close to death; my best friends at school; an old man shuffling across a little bridge; and the ever-changing skies that I loved to daydream into during lessons at school. Through photography, I wanted to travel to distant places and get to know exotic societies, but at the time I did not realise that I had already found both my subject and my way of photographing close to home.
Since then, photographing has been what I do. Even when I do not have a camera with me, I photograph: I look, and I retain the things that move me. When I photograph with a camera, I can show what I have seen. It is as if I appropriate the subject: I capture it within a frame, on light-sensitive material, only to return it, through the print, to the eyes of those who look at it.
During my studies at the Rietveld Academy, I began to devote myself to portrait photography. Previously, I had found portraits boring and posed, but under the influence of my teachers I began to appreciate the genre. I admired the work of Céline van Balen and Arno Nollen, who were working on their graduation projects at the time, and the work of Craigie Horsfield, exhibited at the Witte de With museum in Rotterdam, made a great impression on me. I also discovered the profound way in which the painter Lucian Freud looked at the human being.
The people I have photographed are chance passers-by on the street, or they are my friends, lovers and family. I have always looked at people with great interest. That is why I create situations in which I can invite them to pose for my camera. While photographing, I seek to establish a connection that I want to make visible in the image.
In Russia, where I made street portraits in St Petersburg and Murmansk, I discovered that it is not necessary to speak each other’s language in order to make contact. This form of non-verbal communication interests me. In fact, you do not need to know anything about each other in order to see one another.
My collection of photographs consists of faces of random people, just as random as the passers-by on the street. I find it difficult to explain what it is that I see in certain faces that awakens my desire to ask them to pose for my camera, but it is anything but random who I ultimately photograph. I do not categorise people, for instance according to skin colour, background, age, profession or social status. When I see someone I want to photograph, I know it. Moreover, not everyone is open to participating in my plan to make a portrait.
It is not about who these people are, but about what they are in the moment we are together, in the fraction of a second during which the camera’s shutter is open. It is also about what I am at the moment I decide to open the shutter.
It is about how we have influenced one another during that moment together.
We human beings are very good at telling stories. We can even become our story. I used to think that I wanted to make portraits of people because I was interested in their stories: in what they do, where they come from and what they dream of. I have come to reconsider that: when I photograph someone, the story largely disappears, and I find that beautiful. Through the frame and the brief moment of the exposure, it becomes possible to cut people loose from their context for a moment. You see only the present moment, containing our connection and a glimpse of the human being as a creature.
Marijn de Jong, 2026
Fotograferen
In 1990 begon mijn fotografie met een zelfportret. Ik zit aan de keukentafel van mijn ouderlijk huis, met achter mij de verwilderde tuin en daarachter een braakliggend terrein, dat over was gebleven na het slopen van de vooroorlogse woningen. Van mijn gezicht is door het tegenlicht niet veel te zien. In het silhouet is een jongen van een jaar of vijftien zichtbaar, die nieuwsgierig poseert voor zijn nieuwe camera.
Dat ik wilde fotograferen wist ik zeker, maar ik wist niet precies wat en waarom. Het lag voor de hand om mij te richten op de directe omgeving: mijn vader bij wie ik woonde, mijn opa die bijna doodging, mijn beste vrienden op school, een stokoude man die over een bruggetje schuifelde en de gestaag veranderlijke wolkenluchten waarbij ik graag wegdroomde tijdens de lessen op school. Met mijn fotografie wilde ik verre reizen maken en exotische samenlevingen leren kennen, maar ik wist toen niet dat ik mijn onderwerp en manier van fotograferen dicht bij huis al had gevonden.
Sindsdien is fotograferen wat ik doe. Ook als ik geen camera bij me heb, fotografeer ik: dan kijk ik en sla de dingen die mij aangrijpen op. Als ik met een camera fotografeer, kan ik laten zien wat ik heb gezien. Het is alsof ik het onderwerp toe-eigen: ik leg het vast binnen een kader, op lichtgevoelig materiaal, om het vervolgens met de afdruk weer terug te geven aan de ogen van hen die kijken.
Tijdens mijn opleiding aan de Rietveld Academie begon ik mij toe te leggen op portretfotografie. Voorheen vond ik portretten saai en geposeerd, maar onder invloed van docenten begon ik het genre te waarderen. Ik bewonderde het werk van Céline van Balen en Arno Nollen, die juist bezig waren met hun eindexamen, en het werk van Craigie Horsfield, tentoongesteld in het Witte de With museum in Rotterdam, maakte grote indruk. Ook ontdekte ik het diepe kijken naar de mens van de schilder Lucian Freud.
De mensen die ik heb gefotografeerd zijn toevallige voorbijgangers op straat, of het zijn vrienden, geliefden en familie van mij. Ik kijk altijd met grote belangstelling naar mensen. Daarom creëer ik situaties waarin ik hen kan uitnodigen om voor mijn camera te poseren. Tijdens het fotograferen ben ik erop uit om een connectie te maken die ik zichtbaar wil krijgen in het beeld.
In Rusland, waar ik in Sint-Petersburg en in Murmansk op straat portretten heb gemaakt, ben ik erachter gekomen dat het niet nodig is om elkaars taal te kennen om met elkaar in contact te komen. Dit communiceren op het non-verbale niveau interesseert me. Je hoeft eigenlijk niets van elkaar te weten om elkaar te kunnen zien.
Mijn foto-collectie bestaat uit gezichten van willekeurige mensen, net zo willekeurig als de voorbijgangers op straat. Ik kan moeilijk uitleggen wat het is dat ik in bepaalde gezichten zie wat mijn verlangen aanwakkert om hen voor mijn camera te vragen, maar het is allesbehalve willekeurig wie ik uiteindelijk fotografeer. Ik categoriseer niet, bijvoorbeeld in de zin van huidskleur, afkomst, leeftijd, beroep en sociale status. Als ik iemand zie die ik wil fotograferen, dan weet ik het. Bovendien staat niet iedereen open om mee te werken aan mijn plan om een portret te maken.
Het gaat er niet om wíe de mensen zijn, maar om wat ze zijn op het moment van ons samenzijn, in de fractie van een seconde waarin de sluiter van de camera openstaat. Het gaat er ook om wat ik ben op het moment dat ik besluit de sluiter te openen.
Het gaat erom hoe we elkaar hebben beïnvloed tijdens dat samenzijn.
Wij mensen zijn zeer goed in het vertellen van verhalen. We kunnen ons verhaal gaan geloven en zelfs worden. Voorheen dacht ik dat ik mensen wilde portretteren omdat ik geïnteresseerd ben in hun verhalen, in wat ze doen, waar ze vandaan komen en waarvan ze dromen. Daar kom ik nu op terug: als ik iemand fotografeer dan verdwijnt het verhaal juist grotendeels, en dat vind ik mooi. Door het kader en het korte moment van de opname is het mogelijk om de mensen even los te knippen uit de context. Je ziet enkel het huidige moment met daarin onze connectie en een glimp van de mens als wezen.
Marijn de Jong, 2026